Pieter Groeneveldt

Uit het maandblad “De vrouw en haar huis” (1923), een alleszeggend artikel over Pieter Groeneveldt.

Na deze lange inleiding, waarin ge iets hebt gelezen van den grooten eerbied dien de Japansche cultuur voor de bloem heeft, wil ik u vertellen van den heer P. Groeneveldt, die met evenveel liefde , evenveel eerbied en kunstgevoel zijn planten schikt. Geen afgeknipte bloemen die na een paar dagen zijn verwelkt, maar levende planten, geschikt en geplaatst zoals hun natuur dat aangeeft.

In Den Haag, in het bloemenmagazijn, Sheherazade kunt ge zijn werk zien. De muren zijn behangen met zwart-en -goud gordijnen. Er staan lage bankjes en tafels, dofzwart. Alles wat ge ziet is een lust voor de oogen, van een oneindige teederheid. Hoe leeren wij hier, temidden van deze zorgzaam geschikte planten en kleine tuintjes, dat wij de bloemen noodig hebben, dat wij zonder hen niet kunnen leven en dat wij er zoo oneindig veel meer van genieten wanneer ze met eerbied behandeld en in het milieu zijn gehouden dat ze noodig hebben. Ge kunt hier zooveel bewonderen. En het behoeft niet alleen bij bewonderen te blijven. Ge kunt zoo’n mooi, volop bloeiend en geurend tuintje thuis hebben: uw rotstuintje in uw kamer, onder de schemerlamp.

De bakken met plantjes en boompjes, evenals de echte Japansche dwergboompjes, blijven jaren en jaren leven, wanneer ze maar goed behandeld worden. Om de paar dagen moeten de planten-bakken naar buiten om eens goed te kunnen ,,ademen” in de frissche lucht. Zonder licht kan een plant niet leven, maar evenmin zonder lucht. Dat is een levensbehoefte. En dikwijls komen de planten daaraan veel te kort in onze droge kamers. Ook ’s winters moeten ze geregeld zoo nu en dan eens buiten of voor het open raam worden gezet. Bij goede verzorging gaan ze niet dood. Er zijn immers eeuwenoude dwergboompjes bij, die in hun potten zijn gegroeid. De heer Groeneveldt vertelde mij hoe hij zou wenschen dat iedere vrouw leerde hoe zij bloemen en planten moest schikken en behandelen om er in haar interieur van te genieten. Geen manden met varentjes, chevelures en dergelijke plantjes bij elkaar gepropt, versierd met die foeilelijke strikken, die met hun schelle kleuren ieder bloemtint “vermoorden”.

Uit een decoratief oogpunt zijn deze mandjes die bijna in geen huis ontbreken, bijzonder lelijk en de plantjes gedijen meestal ook heel slecht. En hoe onnadenkend worden de bloemen vaak geschikt. Iedere bloem heeft en vraagt haar eigen plaats, haar eigen kom of vaas, al naar haar manier van groeien. De hooge, slanke, madonna-lelies moeten, niet meer dan een of twee takken in een vaas worden gezet, die hun mooie stelen, bezet met de kleine, smalle blaadjes, goed doet uitkomen. Men doet hen geweld aan, men bederft het effect, wanneer ze tot aan hun bloemkronen verzinken in een veel te hooge en wijde vaas. De heer Groeneveldt maakt, evenals de Japanners, waarvan hij een groot bewonderaar is, de bakken voor zijn planten zelf. Poreus en ongeglazuurd van binnen, met een gaatje in den bodem, zoo, dat de plantjes kunnen groeien en bloeien en echt leven. In deze bakken, die allerlei kleuren hebben, meest groen en grijsachtig, arrangeert hij met veel kleur en lijn zijn miniatuur-tuintjes.

Zoo draagt een groote schaal van paarlemoerig wit een kleinen Hollandschen, dat wil zeggen in Holland (Boskoop) gekweekten, dwergboom en aan zijn voet, tusschen vochtig mos en witte kiezelsteentjes staan een paar sempervivums, met hun dicht op elkaar gedrongen bladerrozetjes en half over den plattenrand hangende takjes van een volop-bloeiende paarse thijm.

Een honderdjarig Japansch dwergboompje staat alleen in zijn grijs-groene schaal en geeft een suggestie van eenzaamheid, zooals het daar met zijn prachtigen verwrongen en knoestigen stam, die de heel fijn vertakte, wijde kroon draagt, afsteekt tegen den dof-gouden achtergrond. Alles is werkelijk even mooi, met liefde, en smaak geschikt. Geen plant is verwrongen of uit haar milieu gehaald. Voorzichtig worden ze met al hun wortels en aarde in de bakken overgeplant, waar ze verder groeien en meestal mooi gaan bloeien, zoals de saxifraga, die met haar reusachtige witte bloemenpluim, als een wuivende veer prijkt. Er is hier voor ons, vrouwen, die zoo graag ons interieur mooier maken, het versieren met een paar bloemen, een plant, veel te leeren. De leider van deze zaak leert ons, hoe wij kunnen genieten van de bloemen en ze tegelijkertijd zooals de Japanner dat doet, kunnen eerbiedigen. Hoeveel vrouwen klagen niet dat het voor haar beurs te kostbaar is telkens bloemen aan te schaffen die toch zoo gauw verwelken? Met zoo weinig kosten kunt ge een mooier bloemversiering maken dan met een dure, groote bouquet. Een drietal blauwe irissen, met hun bladen in een witte Wedgewood kom geplaatst, is een mooier en nobeler versiering dan een dikke bos ervan in een smalle vaas gepropt. Maar we moeten eerst leeren zien en leeren waardeeren en dat leert ons de heer Groeneveldt. Hij zet voor ons de cactussen, met hun eigenaardige, grillige vormen, in een kleine wit craquelé bakjes van Japansch aardewerk, een drietal van verschillende soort bij elkaar. De aarde is met wat fijn grind en kiezel bedekt en het effect is mooi, rustig en harmonisch. Hij maakt voor ons een diepen bak, gevuld met een goud-achtig groen mosheuveltje, waarop een kleing hoogstammig dwergboompje staat, een dwerghulst. Tusschen het mos groeit een fijn uitgetand boschvarentje.

In een transparant kelkje van Venetiaansch glas, van bijzonder grilligen vorm, staat een enkel takje akelei; in een donkergroenen bloempot groeit een orchidee, die een stengel met sprookjes-achtige, langslippige bloemen draagt van een vreemde groen-witte kleur. Zonder bloemen kunnen wij niet leven. Maar laten wij goed onthouden dat de bloemen behandeld moeten worden met den eerbied dien wij hen verschuldigd zijn en dat niet met een gevoel van sentimentaliteit, maar omdat de plant in haar omgeving, in goede aarde, zooveel mooier, zooveel levender en zooveel decoratiever is.